22 mei 2012 2 files 2 flitsers
AMD - Automotive Fiscalisten
U bevindt zich hier: Home » Nieuwsarchief 2010 » Vragen aan het Europese Hof over de teruggaafregeling BPM
Bookmark and Share

Vragen aan het Europese Hof over de teruggaafregeling BPM

Bij de Rechtbank Breda loopt een procedure over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de in 2007 gewijzigde BPM-wetgeving. In die zaak zijn nu vragen voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. Het gaat daarbij om de vraag of de huidige Nederlandse regeling (die voorziet in volledige heffing van BPM bij aanvang van het Nederlandse weggebruik, gevolgd door een BPM-teruggaaf bij het einde van het Nederlandse weggebruik) wel in overeenstemming is met het EG-Verdrag.
Concreet gaat het om een Duitse leasemaatschappij die een auto least aan een B.V. die gevestigd is in Nederland. De leasemaatschappij heeft de volgens de wet verschuldigde BPM voldaan en bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.
Heel belangrijk in deze zaak is dat het tussen partijen vaststaat “dat de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland”. Rechtbank Breda oordeelde namelijk op 2 september vorig jaar al over deze nieuwe BPM-wetgeving in een situatie waarin het wel ging om duurzaam gebruik. De Rechtbank kwam toen tot de conclusie dat de huidige wetgeving waarbij bij aanvang van het weggebruik volledige BPM-heffing plaatsvindt, gevolgd door teruggaaf bij latere beëindiging van het Nederlandse weggebruik, wel in overeenstemming is het met Europese verdrag. Voor niet-duurzaam gebruik (blijkens eerdere uitlatingen van de wetgever is daarvan sprake bij een duur van maximaal drie jaar) is de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de nieuwe regels echter een stuk minder duidelijk.
De rechtbank acht de omstandigheid dat buitenlandse verhuurders van auto's ook bij tijdelijke verhuur aan een inwoner van Nederland direct het volledige bedrag aan BPM verschuldigd worden “onmiskenbaar onaantrekkelijk voor deze verhuurders zodat sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van diensten”. De rechtbank acht het verder twijfelachtig of de rechtvaardiging voor het invoeren van de huidige regeling, het gelijk behandelen van in Nederland gevestigde autoverhuurbedrijven, een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor deze belemmering. Nu dit ook niet valt uit te sluiten, stelt de rechtbank zogenaamde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Pas als het oordeel van dat Europese gerechtshof is verkregen, zal de Nederlandse rechter de procedure voortzetten.
De kans dat de Europese rechters de nieuwe regeling níet EU-proof zullen vinden, is overigens vrij groot. Eerder oordeelden zij al in de spraakmakende zaak “Van de Coevering” dat de Europese regels zich verzetten tegen een heffing bij de aanvang van het gebruik van de auto als daarbij geen rekening wordt gehouden “met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt.” Ook in de zogenaamde “Ilhan-zaak” uit 2008 oordeelde het Hof dat het Europese recht zich verzet
tegen een regeling “ krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die een in een andere lidstaat geregistreerde en gehuurde auto hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat een belasting te betalen waarvan het bedrag wordt berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik met dit voertuig van voornoemd wegennet”.
In de media zijn naar aanleiding van deze door de Rechtbank Breda gestelde prejudiciële vragen reeds berichten verschenen waarin geconcludeerd wordt dat dit mogelijk het einde betekent van de teruggaaf bij export. Dat lijkt voorlopig echter een veel te voorbarige conclusie. Waarschijnlijker lijkt het dat naast de teruggaaf bij export een nieuwe regeling ingevoerd zal moeten worden voor kortdurend binnenlands weggebruik met een auto met buitenlands kenteken, waarbij dan tijdsevenredig BPM wordt geheven.
Beantwoording van de vragen door het Europese Hof van Justitie zal even op zich laten wachten. Tot die tijd is de procedure bij de Rechtbank Breda geschorst. Wij houden u van het verdere verloop op de hoogte.