Maandag 6 september 2010
Home | Contact | Sitemap
Menu
 
Aanmelden nieuwsbrief
 
Archief
 
 
Visser & Visser
 
 

Bij gezamenlijk gebruik ook gedeelde bijtelling

Als een auto van de zaak gelijktijdig aan meerdere werknemers ter beschikking is gesteld, moet de bijtelling in redelijkheid over beide gebruikers worden verdeeld. Gerechtshof Arnhem heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak die dit duidelijk illustreert.

In deze zaak was allereerst in discussie over er sowieso wel auto’s ter beschikking waren gesteld. Zowel de directeur van de onderneming als de betreffende werkneemster ontkenden dat. De werkneemster maakte, naar eigen zeggen alleen voor zakelijke ritten, gebruik van achtereenvolgende auto’s die ook door de directeur werden gebruikt. Na afloop van de rit werd de auto doorgaans op de zaak geparkeerd of, bij gezamenlijke ritten, bij het vlak bij haar eigen woonhuis gelegen huis van de directeur. De auto’s werden echter ook gebruikt voor zakelijke ritten die bij haar eigen huis begonnen en weer eindigden. Er was geen sprake van een kilometeradministratie. Wel heeft de werkneemster een aantal verklaringen van derden over het gebruik van de auto’s aan de rechters overlegd.

De rechters van het Gerechtshof Arnhem zijn echter van oordeel dat er wel degelijk sprake is van auto’s die ook voor privédoeleinden ter beschikking zijn gesteld, zodat bijtelling op zijn plaats is tenzij bewezen kan worden dat het privégebruik niet meer is dan 500 kilometer op jaarbasis. Daarbij is van belang dat de auto’s ook voor woon-werkverkeer werden gebruikt en voor zakelijke ritten die thuis begonnen of eindigden. Verklaringen “van horen zeggen”, die niet met agenda’s e.d. gestaafd kunnen worden, kunnen niet dienen om te bewijzen dat er geen sprake is van privégebruik voor niet meer dan 500 kilometer.

Het Gerechtshof oordeelde verder op basis van de feiten dat de auto’s zowel aan deze werkneemster als aan de directeur ter beschikking waren gesteld. De bijtelling moet dan in redelijkheid over beiden worden verdeeld. Hoe die verdeling plaats moet vinden, is volgens de rechters afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval. Omdat concrete ritgegevens ontbraken, en het door de rechters niet onaannemelijk werd geacht dat de auto’s op een groot gedeelte van de doordeweekse dagen en een klein deel van het weekend aan de werkneemster ter beschikking stonden, werd de bijtelling “in goede justitie” voor de helft aan de werkneemster en voor de helft aan de directeur toegerekend.