17 mei 2012 0 files 5 flitsers
AMD - Automotive Fiscalisten
U bevindt zich hier: Home » Nieuwsarchief 2010 » Minister de Jager beantwoordt kamervragen over ombouw BPM
Bookmark and Share

Minister de Jager beantwoordt kamervragen over ombouw BPM

Minister De Jager van Financiën heeft de Tweede Kamer zijn antwoorden gestuurd op vragen die de kamerleden Aptroot en Remkes hadden gesteld over de vermeende stijging van de BPM in 2010.

Aanleiding voor die vragen was het recente bericht van het CBS onder de kop “Wijziging BPM leidt niet tot goedkopere auto’s”. Daarin stelt het CBS dat de daling van het basistarief BPM in januari 2010 van 40 naar 27,4 procent niet leidde tot een daling van de belastingdruk, maar juist tot een stijging van 0,5 procent voor nieuwe auto’s, en dat de reden hiervoor zou zijn dat de verlaging van dit vaste basispercentage niet opwoog tegen de nieuwe heffing voor CO2-uitstoot.

In zijn antwoorden zet de Minister uiteen dat er nog steeds sprake is van een lastenneutrale ombouw van de BPM naar een heffing op basis van de CO2-uitstoot, die dan ook niet leidt tot een algehele daling (of stijging) van de catalogusprijs. Eventuele prijsdalingen en prijsstijgingen als gevolg van de ombouw zijn afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. Zuinige auto’s zullen dalen in prijs, zeer zuinige auto’s waren al met ingang van 1 januari 2009 geheel vrijgesteld van BPM. Minder zuinige auto’s zullen als gevolg van deze grondslagherziening in prijs kunnen stijgen.

In de nieuwe tarieftabel wordt er verder rekening mee gehouden dat nieuwe auto’s als gevolg van technische ontwikkelingen jaarlijks gemiddeld 2,8% zuiniger worden. In dat kader merkt de minister op “dat het bericht van het CBS betrekking heeft op de verandering in autoprijzen tussen januari 2010 en december 2009. Deze maandmutatie leidt uiteraard tot andere uitkomsten dan een jaarmutatie waarin het jaarlijks gemiddeld 2,8% zuiniger worden van auto’s adequaat kan worden meegenomen”. Het CBS bepaalt verder de prijsontwikkeling van nieuwe auto’s op basis van een steekproef van de 30 meest gangbare auto’s. Deze steekproef hoeft volgens de Minister niet representatief te zijn voor de CO2-ontwikkeling van het gehele aanbod en alle verkopen.