17 mei 2012 0 files 4 flitsers
AMD - Automotive Fiscalisten
U bevindt zich hier: Home » Nieuwsarchief 2010 » Hoge Raad: BPM is een binnenlandse belasting en geen importheffing
Bookmark and Share

Hoge Raad: BPM is een binnenlandse belasting en geen importheffing

Opnieuw is geprocedeerd over de vraag of de BPM zoals die in Nederland wordt geheven, binnen Europa wel toegestaan is en of dit geen verboden importheffing is. De Hoge Raad heeft zich daar medio februari 2010 over uitgesproken en geoordeeld dat er sprake is van een binnenlandse belasting, zodat daarop geen Europese harmonisatie van toepassing is.

De BPM blijft in Europees verband een belasting die aan discussie onderhevig is. Bij eerste aanblik is dat ook niet erg verwonderlijk, gezien de grote verschillen tussen de lidstaten. Zo wordt slechts in een stuk of zeven lidstaten een registratiebelasting geheven van een omvang zoals in Nederland bij de BPM het geval is. Inmiddels hebben ook de Europese rechters al geoordeeld dat de heffing van BPM als zodanig toegestaan is en niet in strijd is met het EG Verdrag. De belastingheffing op motorvoertuigen is op het niveau van de Europese Unie niet geharmoniseerd, zodat de lidstaten vrij zijn hun fiscale bevoegdheden dienaangaande uit te oefenen. Voorwaarde is wel dat daarbij geen strijdigheid ontstaat met het Europese vrije verkeer van goederen, diensten of kapitaal. Op grond van die laatste voorwaarde zijn de afgelopen jaren al de nodige aanpassingen in de BPM doorgevoerd. Te denken valt aan de heffing bij invoer, die op dit moment in principe plaatsvindt op basis van een waardering van de individuele auto, aan de invoering van een teruggaafmogelijkheid bij export en aan de aanpassing van de BPM-afschrijvingstabel per 2010. Een interessante vraag waarover nog een aantal procedures loopt, is de vraag of de heffing van BPM bij tijdelijk binnenlands gebruik van buitenlands gekentekende auto’s door Nederlandse inwoners al dan niet strijdig is met het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Het gaat dan bijvoorbeeld om tijdelijk van buitenlandse familieleden geleende buitenlandse auto’s voor een verder geheel binnen Nederland plaatshebbende autorit.

In het nieuwe arrest van de Hoge Raad gaat het echter niet om de verdragsvrijheden met betrekking tot reizen en verblijven, goederen, diensten of kapitaal, maar om de vraag of er sprake is van een verboden invoerrecht. De Hoge Raad komt echter, in lijn met eerdere uitspraken van het Europese Hof van Justitie, tot het oordeel dat er sprake is van een binnenlandse belasting. Een belangrijke uitspraak van het Europese Hof van Justitie in dit verband is de zaak Outokumpu Oy van alweer een aantal jaren geleden. In dat arrest ging het om een Finse heffing op elektriciteit. Het Hof oordeelde dat er sprake is een binnenlands heffing waarop het verbod op “in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking” niet van toepassing is, als zij binnenlandse en ingevoerde producten in hetzelfde stadium van verhandeling belast en als daarbij het belastbare feit voor beide categorieën van producten hetzelfde is. Ook op basis hiervan dient de Nederlandse BPM als een binnenlandse belasting aangemerkt te worden.