Maandag 6 september 2010
Home | Contact | Sitemap
Menu
 
Aanmelden nieuwsbrief
 
Archief
 
 
Visser & Visser
 
 

Bijtelling

De bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak is van toepassing op zowel een ondernemer (geregeld in artikel 3.20 Wet inkomstenbelasting) als op een werknemer (geregeld in artikel 13bis Wet loonbelasting).

Voor ondernemers geldt de bijtelling voor het privé-gebruik van de auto als de auto tot het vermogen van de onderneming behoort of als de auto door de onderneming geleast wordt. In principe komen alle autokosten dan ten laste van de winst, maar voor het privégebruik wordt deze aftrekpost gecorrigeerd met de bijtelling. De bijtelling bedraagt bij ondernemers nooit meer dan de werkelijke kosten.

Als het aantal privékilometers op jaarbasis groter is dan 500 kilometer, is de hoogte van de bijtelling als volgt:

Nulemissie CO2: 0%
CO2-uitstoot niet meer dan 95 gr/km resp. 110 gr/km: 14% van de catalogusprijs
CO2-uitstoot meer dan 95 gr/km maar niet meer dan 116 gr/km resp. meer dan 110 gr/km maar niet meer dan 140 gr/km: 20% van de catalogusprijs
Overige auto’s niet ouder dan 15 jaar: 25% van de catalogusprijs
Auto’s van 15 jaar en ouder: 35% van de werkelijke waarde

De bovengenoemde CO2-uitstootnormen van 95 gram/km (14% bijtelling) en 116 gram/km (20% bijtelling) gelden voor auto’s met een dieselmotor. De normen van 110 gram/km en 140 gram/km gelden voor auto’s met andere motoren, met name benzine.

Per 2010 is een nieuwe bijtellingscategorie ingevoerd: Er geldt in de jaren 2010 tot en met 2014 een 0%-bijtelling voor auto’s met een nulemissie CO2. In de praktijk zal hiervan met name door elektrische auto’s gebruik gemaakt kunnen worden.

Vanaf 2008 gold al een lager bijtellingspercentage van 14% voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 95 gr/km bij dieselauto’s en 110 gr/km bij benzineauto’s. Hierbij wordt nogal eens gedacht dat dit geldt voor alle auto’s met energielabel A. Dat is echter onjuist: gekeken moet worden naar de exacte bovengenoemde CO2-uitstootnormen.
Het gaat hierbij bijvoorbeeld om auto’s als de Citroën C1, Fiat 500, Honda Civic Hybride en Insight, Peugeot 107, Toyota Aygo, IQ en Prius en in de categorie diesel de Smart Fortwo diesel en Volkswagen Polo 1.2 TDI BlueMotion.

Per 2009 is een tussencategorie ingevoerd van 20% van de catalogusprijs. Deze geldt voor benzine-, LPG- en aardgasauto’s met een CO2-uitstoot van 111 tot en met 140 gram per kilometer en dieselauto’s met een CO2-uitstoot van 96 tot en met 116 gram per kilometer.
Het betreft uitvoeringen van auto’s zoals de Ford Fiësta, Ford Focus, Opel Corsa, Peugeot 207, Renault Clio, Skoda Fabia, Volkswagen Polo en Volkswagen Golf.

Zie voor een totaaloverzicht www.groenopweg.nl waar onder andere gezocht kan worden op bijtellingstarief, brandstofsoort en merk en type voertuig.

Voor de berijders van een auto in een lagere bijtellingscategorie is het van groot belang om zekerheid te hebben over de hoogte van de bijtelling op de auto die men vaak meerdere jaren rijdt. De vraag komt dan op of de categorieën jaarlijks bijgesteld kunnen worden. Om de stimulans in stand te houden voor auto’s die zuiniger zijn dan de gemiddelde auto’s, zullen de maximale CO2-uitstootgrenzen van beide categorieën inderdaad eens per vier jaar worden aangescherpt op basis van de feitelijke ontwikkelingen van de CO2-uitstoot van nieuwe auto’s. Voor het eerst vindt die aanscherping plaats in 2013. Die aanscherpingen zullen dan alleen gaan gelden voor na de aanscherping op kenteken gezette auto’s.

De bijtelling wordt tot het inkomen gerekend. De werknemer betaalt over de bijtelling loon-/inkomstenbelasting (indien de waarde van het werkelijke privégebruik hoger is dan de bijtelling dan kan deze waarde worden belast indien de fiscus dit bewijst). Per 2006 wordt voor werknemers de bijtelling via de loonbelasting belast en verrekend via de loonstrook. Een eventuele eigen bijdrage van de werknemer voor privégebruik komt op de bijtelling in mindering.
Tijdsevenredig berekenen
Omdat de hoogte van het bijtellingspercentage afhankelijk is van het aantal gereden privé-kilometers, moeten voor toepassing van bovenstaande tabel de gereden privé-kilometers eerst worden herberekend naar een jaarkilometrage als niet het hele jaar met een auto van de zaak is gereden. Vervolgens kan aan de hand van de jaarkilometrage in de tabel worden afgelezen welk percentage van toepassing is.

Cataloguswaarde
De cataloguswaarde van de auto is bepalend voor de bijtelling. Voor een personenauto is de cataloguswaarde de nieuwprijs van de auto inclusief BPM en BTW. De cataloguswaarde van een bestelauto die vóór 1 juli 2005 is te naam gesteld, is inclusief BTW maar zónder BPM. Voor bestelauto’s die op 1 juli 2005 of later voor het eerst zijn te naam gesteld, geldt een cataloguswaarde inclusief BTW én BPM.

Opties en accessoires
Accessoires, opties en meeruitvoeringen kunnen worden gerekend tot de catalogusprijs. Voor auto’s met een tenaamstelling vóór 1 juli 2006 tellen accessoires mee voor de bijtelling als deze in de prijslijst van de importeur of fabrikant voorkomen én zijn ingebouwd vóór de dag van toekenning van het kenteken.
Voor auto’s met een tenaamstelling vanaf 1 juli 2006 geldt dat de bijtelling wordt berekend over de waarde zoals die ook voor de BPM-berekening geldt: de catalogusprijs inclusief de af-fabriek gemonteerde opties. Bij de dealer aangebrachte accessoires tellen dan niet langer mee voor de bijtelling.

Rittenregistratie
De bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak kan worden voorkomen indien men op jaarbasis minder dan 500 km privé rijdt. Hoe het bewijs daarvoor wordt geleverd, is niet aan regels gebonden. Het beste kan dit door middel van een sluitende rittenadministratie.
In een rittenadministratie moeten per rit de volgende gegevens worden bijgehouden: datum, begin- en eindstand van de kilometerteller, plaats van vertrek, plaats van de bestemming, vermelding van de aard van de rit en de gereden route. Als van de gebruikelijke route wordt afgeweken kan dit bij ‘gereden route’ worden aangegeven. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij files.

Naast een rittenadministratie kan de belastingdienst aanvullende informatie opvragen. Hierbij kunt u onder meer denken aan de agenda, tankgegevens en gegevens over verkeersboetes.
Een black box kan ondersteunend zijn bij een sluitende kilometeradministratie.

Verklaring geen privégebruik
Vanaf 1 januari 2006 moet de werkgever loonbelasting inhouden over de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak. De werkgever is er verantwoordelijk voor dat het juiste bedrag aan loonbelasting wordt afgedragen. Is de werknemer van mening dat er geen bijtelling hoeft plaats te vinden omdat op jaarbasis minder dan 500 kilometer privé wordt gereden, dan zou de werkgever de kilometeradministratie moeten controleren. Om de werkgever niet met deze controle te belasten, kan de werknemer met een standaardformulier bij de belastingdienst een verklaring geen privégebruik auto aanvragen. Als de werknemer de verklaring overhandigt aan de werkgever, kan de werkgever zonder risico’s op naheffing en boetes de bijtelling achterwege laten. Alleen als het voor de werkgever duidelijk is dat de verklaring ten onrechte is afgegeven, kan de belastingdienst bij de werkgever naheffen. In andere gevallen wordt bij de werknemer nageheven.

De werknemer moet ondanks zo’n verklaring nog wel een sluitende kilometeradministratie bijhouden. Aan de belastingdienst moet immers kunnen worden aangetoond dat er niet meer dan 500 km op jaarbasis is gereden. Mocht achteraf echter blijken dat toch meer dan 500 km privé is gereden, dan zal de belastingdienst de belasting over de bijtelling naheffen bij de werknemer en niet bij zijn werkgever.

Uitzondering voor bestelauto's
Door nieuwe uitspraken van belastingrechters komt er steeds meer duidelijkheid over de regeling op grond waarvan sommige bestelauto’s zijn uitgezonderd van het vaste bijtellingspercentage. Het gaat daarbij om bestelauto’s die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn geschikt voor goederenvervoer.
Bij het tot stand komen van deze uitzondering is met name gedacht aan bestelauto’s met slechts één stoel. In mei 2009 besliste de Hoge Raad al dat een grote bestelauto van een bloemist, voorzien van specifieke inrichting en met meerdere zitplaatsen, in aanmerking kwam voor deze uitzondering. Ook is er een uitspraak over een grote bestelauto (verlengd en verhoogd, zodat deze niet op normale parkeerplaatsen en in parkeergarages past) van een vloerbedekkinglegger. Ook in die situatie gold het vaste bijtellingspercentage niet, ook al had de auto twee zitplaatsen.
Inmiddels begint er ook jurisprudentie te komen over kleinere bestelauto’s. Er loopt nog een verwijzingszaak over de auto van een stukadoor en in februari 2010 heeft Gerechtshof Amsterdam zich uitgesproken over een Renault Kangoo met twee zitplaatsen. Deze viel ook onder de uitzonderingsregeling, omdat de auto als gevolg van het gebruik voor schilders- en schuurwerkzaamheden “erg vies is en stinkt” en omdat de auto in de laadruimte is voorzien van een kunststof bak die alleen door een garagebedrijf verwijderd kan worden. Het Gerechtshof was in deze zaak sowieso erg soepel: Het Hof overweegt dat ook als de auto niet onder de uitzondering zou vallen, er toch geen ruimte was voor bijtelling omdat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat hij niet privé met de auto heeft gereden. Deze ondernemer had aangevoerd dat hij in privé over twee auto’s beschikt en had over de periode ná het boekenonderzoek een sluitende kilometeradministratie van de Renault Kangoo bijgehouden.
Intussen ontstaat uit de rechtspraak het beeld dat de uitzondering voor specifieke bestelauto’s ruimer toepasbaar is dan alleen voor grote bestelauto’s of bestelauto’s met slechts één stoel. Wel is dan vereist dat de tweede stoel noodzakelijk is voor een bijrijder voor hulp bij laden en lossen of dat de bestelauto is voorzien van specifieke inrichting c.q. wordt gebruikt voor specifieke doeleinden.

Andere regelingen voor bestelauto’s
Voor bestelauto’s gelden naast bovengenoemde uitzondering ook nog andere bijzondere regelingen. Allereerst is de regeling voor het verbod op privégebruik van belang. Wanneer tussen werkgever en werknemer schriftelijk wordt overeengekomen dat het voor de werknemer verboden is een bestelauto privé te rijden, dan krijgt de werknemer geen bijtelling voor de bestelauto. De werkgever moet de verklaring bij de loonadministratie bewaren. Tevens is vereist dat de werkgever toezicht houdt op het naleven van het verbod én bij overtreding een passende sanctie oplegt aan de werknemer. Als passende sancties zijn door de fiscus genoemd: een geldboete die in verhouding staat met de te betalen belasting over de bijtelling, het verhalen door de werkgever op de werknemer van de nageheven loonbelasting of zelfs ontslag uit de dienstbetrekking. De werkgever kan toezicht houden op het naleven van het verbod door bijvoorbeeld het controleren van kilometerstanden, na te gaan wanneer verkeersovertredingen zijn gemaakt, de hoeveelheid van de verbruikte brandstof te controleren en te controleren of buiten werktijd brandstof is getankt. In de wet is expliciet bepaald dat in geval van zo’n verbod op privégebruik ten aanzien van een bestelauto de bijtelling niet geldt. De werkgever dient zich echter wel te realiseren dat het risico op naheffing en boetes in geval van zo’n schriftelijk overeengekomen verbod op privégebruik geheel bij hem ligt. Bij een kilometeradministratie samen met een ‘verklaring geen privégebruik’ voorkomt hij dat risico.

Daarnaast geldt een regeling voor situaties waarin privégebruik niet goed mogelijk is: Wordt een bestelauto in verband met de aard van de werkzaamheden doorlopend en afwisselend door twee of meer werknemers gebruikt, dan kan worden volstaan met een eindheffing van € 300 per auto. De werkgever betaalt deze eindheffing aan de belastingdienst. Op het loon van de werknemers vindt geen inhouding plaats.
Deze situatie zal zich bijvoorbeeld kunnen voordoen bij een installatiebedrijf waarbij in een bepaalde week werknemer A op maandag en dinsdag een bepaalde bestelauto meeneemt, op woensdag en donderdag werknemer B en op vrijdag werknemer C, terwijl op andere dagen en in andere weken een totaal ander gebruik van de diverse bedrijfsauto’s door de diverse medewerkers plaatsvindt.
Als iemand ’s avonds steeds dezelfde auto mee naar huis neemt, is er geen sprake van doorlopend afwisselend gebruik. Van doorlopend afwisselend gebruik is ook geen sprake als er bij een bedrijf bijvoorbeeld twee werknemers en twee bestelauto’s zijn, die dagelijks worden gewisseld.

Voor de kilometeradministratie geldt een versoepeling voor bestelauto’s: Als een werknemer door de aard van de werkzaamheden veel ritten op een dag heeft, mag de werknemer om praktische redenen het bewijs van een privégebruik van maximaal 500 km per jaar leveren met een combinatie van een vereenvoudigde rittenregistratie en de zakelijke adressen in de administratie van de werkgever.
Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever schriftelijk met de werknemer heeft afgesproken dat de werknemer een vereenvoudigde rittenregistratie bijhoudt, privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan en de werkgever de zakelijke adressen in zijn (project)administratie heeft.
In de vereenvoudigde rittenregistratie hoeft een werknemer de zakelijke ritten dan niet te vermelden, omdat die aanwezig zijn in de (project)administratie van de werkgever. De vereenvoudigde rittenregistratie moet per dag de volgende gegevens vermelden: de datum, de werktijd, de begin- en eindkilometerstand (aan het begin en einde van de werktijd), een verwijzing naar de zakelijke adressen in de (project)administratie van de werkgever als de volgorde waarin de werknemer deze adressen heeft bezocht, in de (project)administratie ontbreekt. Maakt de werknemer een privérit (binnen de 500-kilometergrens), dan moet hij ook de volgende gegevens in de vereenvoudigde rittenregistratie vermelden: de datum, de begin- en eindkilometerstand van de privérit en het vertrek- en aankomstadres.

Nieuws:

13 augustus 2010: Bovennormbijdrage niet meer aftrekbaar?
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2010 hebben diverse media gemeld dat de bovennormbijdrage niet langer aftrekbaar is. De uitspraak gaat echter over een specifieke situatie.
Wat was het geval? In de situatie waar de Hoge Raad over geoordeeld heeft, was er sprake van een werknemer die een duurdere auto wilde rijden dan de leaseregeling van het bedrijf voorschreef. De keuze voor een duurdere auto was weliswaar mogelijk, maar leidde tot het verschuldigd worden van een maandelijkse “bovennormbijdrage” (in dat jaar in totaal € 5.203). Deze was ook verschuldigd als er privé niet met de auto gereden zou worden. Daarnaast was voor het privégebruik een vaste maandelijkse eigen bijdrage verschuldigd van 124 euro.
De rechters oordeelden dat in dit geval de bovennormbijdrage niet geheel aftrekbaar is van de bijtelling. Die uitkomst heeft echter alles te maken met het feit dat er twéé maandelijkse bijdragen waren: een bijdrage voor privégebruik en een (niet als privégebruik benoemde) bijdrage voor de overschrijding van het leasebudget. De rechters oordeelden dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze laatste bijdrage alleen voor privégebruik was. De conclusie is dan ook dat de bovennormbijdrage alleen aftrekbaar is voor het privégedeelte: oftewel in de verhouding van de privékilometers ten opzichte van het totaal aantal kilometers.
Uit dit arrest kan niet de conclusie getrokken worden dat de bovennormbijdrage nooit meer aftrekbaar is. Wel moet voor aftrek aan twee voorwaarden zijn voldaan: de bijdrage moet aan de werkgever betaald worden en moet verschuldigd zijn wegens privégebruik. In bovengenoemde situatie had men er dan ook beter voor kunnen kiezen om in de autoregeling de eigen bijdrage voor privégebruik op te bouwen uit zowel het vaste maandelijkse bedrag als het maandelijkse bedrag voor de normoverschrijding. De informatie op de website van de belastingdienst bevestigt dat de bijdrage voor privégebruik dan aftrekbaar is: “U kunt met uw werkgever afspreken dat u een eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto betaalt. Elke eigen bijdrage die u aan uw werkgever betaalt, kan van de bijtelling worden afgetrokken. Dat geldt ook voor een hoger leasebedrag voor een auto uit een duurdere klasse”.

29 april 2010: Werkgever mag naheffing verhalen op werknemer
Uit een uitspraak van de kantonrechter in Den Bosch blijkt dat werkgevers gerechtigd zijn om naheffingen loonbelasting ter zake van privégebruik van de auto van de zaak te verhalen op hun werknemers. De werknemer is naar het oordeel van de kantonrechter de belastingplichtige, zodat verhaal van de naheffing terecht is.

1 februari 2010: Hogere boetes

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is geactualiseerd. Vooral de nieuwe beleidslijn met betrekking tot de naheffing bij het niet of onjuist aangeven van de bijtelling privégebruik van de auto van de zaak valt op. Daarbij worden ook nieuwe boetepercentages geïntroduceerd.
Volgens het BBBB geldt bij een verzuim standaard een boete van 10% tot het wettelijke maximum van € 4.920. Voor het niet aangeven van de bijtelling geldt echter een verzuimboete van 80% van dat wettelijke maximum. Bij het overleggen van een onjuiste of onvolledige kilometeradministratie geldt zelfs een boete van 100% van het wettelijke maximum van € 4.920.
Kan de belastingdienst bewijzen dat er sprake is van grove schuld of van opzet, dan wordt geen verzuimboete, maar een vergrijpboete opgelegd. Bij grove schuld bedraagt deze 40% van het naheffingsbedrag en bij opzet 80% van het naheffingsbedrag. Ook bij de vergrijpboete geldt dat de boete 100% (van het naheffingsbedrag) bedraagt bij een onjuiste of onvolledige rittenregistratie.
De inspecteur moet van geval tot geval afwegen of er sprake is van een verzuim of van een vergrijp. Voor hetzelfde feit mogen niet zowel een verzuim- als een vergrijpboete worden opgelegd.

Deze verhoogde boetes maken het voor de werkgever des te belangrijker om te beschikken over een verklaring geen privégebruik.