U bevindt zich hier: Home » Nieuwsarchief 2008 » Aftrekbaarheid van de eigen bijdrage
Aftrekbaarheid van de eigen bijdrage
In een tweetal uitspraken hebben belastingrechters recent verduidelijkt welke eigen bijdragen wel en welke niet aftrekbaar zijn van de bijtelling.
Het eerste geval was een enigszins bijzondere situatie. Er was kort samengevat sprake van een constructie waarin de werknemer aan zijn werkgever maandelijks een eigen bijdrage betaalde ter grootte van zijn fiscale bijtelling. Deze bijdrage trok hij af van de bijtelling, zodat hij per saldo niets aan de fiscus betaalde voor het privé-gebruik. De werkgever betaalde met deze bijdrage maandelijks een hoger bedrag aan de leasemaatschappij dan de normale leaseprijs zou rechtvaardigen. Dit extra bedrag fungeerde als een extra afschrijving, zodat de werknemer de auto na verloop van 26 maanden al kon overnemen tegen een zeer lage waarde. Dit gebeurde dan ook: de auto werd overgenomen voor € 3.378 bij een reële waarde van € 26.500. Desgevraagd kon de berijder zich bij de rechter overigens niet meer herinneren of hij winst had behaald met de doorverkoop van deze auto.
Bij de rechter stond ter discussie of deze eigen bijdrage wel een bijdrage voor privé-gebruik was. Alleen dán is de bijdrage namelijk aftrekbaar.
De stelling dat de bijdrage verklaard kon worden uit een relatief korte leaseperiode, kon de rechtbank niet volgen: “Een korte leaseperiode leidt weliswaar tot een minder lange termijn van afschrijven, maar eveneens tot een hogere restwaarde. Dat desondanks sprake zou zijn van (aanzienlijk) hogere leasetermijnen die vervolgens aan eiser is rekening zijn gebracht, is op geen enkele wijze nader (cijfermatig) onderbouwd”.
De rechter spreekt dan ook uit dat de bijdrage geen bijdrage voor privé-gebruik is, en daarom ook niet aftrekbaar is. Gezien de hoogte van de boekwinst en het feit dat de berijder gezien de exacte koppeling met de hoogte van zijn bijtellingsbedrag op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud van de constructie, wordt er een opzetboete van 50% opgelegd.
De tweede uitspraak betrof een vaker voorkomende situatie. De onderneming waar werknemer A werkte, had een autoregeling die er in voorzag dat per kwartaal een exploitatieoverzicht van de door de onderneming gekochte en vervolgens aan A ter beschikking gestelde auto werd bijgehouden. De eigen bijdrage voor privé-gebruik was het verschil tussen de totale autokosten en de kosten van de zakelijke kilometers.
Bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst zou een eventueel overschot uit de exploitatierekening als loon worden uitbetaald, maar zou een eventueel tekort door de werknemer moeten worden bijbetaald. Tevens zou de auto dan moeten worden overgenomen tegen de taxatiewaarde.
A ging uit dienst. De auto had een boekwaarde van € 4.658, terwijl de werkelijke waarde € 3.400 was. A nam de auto over voor deze € 3.400, maar moest ook het exploitatietekort van € 1.258 bijbetalen. Dit bedrag trok hij als bijdrage voor privé-gebruik af van de bijtelling.
De rechter kan zich hier in vinden: “Naar het oordeel van de rechtbank vindt de waardedaling van de auto zijn grond in het gebruik van de auto door eiser gedurende de periode dat de auto aan hem ter beschikking is gesteld. Met eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bedrag van € 1.258 kan worden aangemerkt als een extra afschrijving die tijdens de gebruiksperiode van de auto is opgekomen”. Hoewel de betaling van het bedrag actueel wordt door het einde van de dienstbetrekking, heeft de vergoeding wel betrekking op het gebruik van de auto, zodat het als bijdrage voor privé-gebruik afgetrokken kan worden. Dat er van deze afschrijving niets aan de zakelijke kilometers toegerekend hoeft te worden, ligt aan het feit dat de verplichte betaling aan het eind van de dienstbetrekking in deze autoregeling berekend wordt ongeacht de aard van het gebruik van de auto.
Bron: AMD automotive fiscalisten
Het eerste geval was een enigszins bijzondere situatie. Er was kort samengevat sprake van een constructie waarin de werknemer aan zijn werkgever maandelijks een eigen bijdrage betaalde ter grootte van zijn fiscale bijtelling. Deze bijdrage trok hij af van de bijtelling, zodat hij per saldo niets aan de fiscus betaalde voor het privé-gebruik. De werkgever betaalde met deze bijdrage maandelijks een hoger bedrag aan de leasemaatschappij dan de normale leaseprijs zou rechtvaardigen. Dit extra bedrag fungeerde als een extra afschrijving, zodat de werknemer de auto na verloop van 26 maanden al kon overnemen tegen een zeer lage waarde. Dit gebeurde dan ook: de auto werd overgenomen voor € 3.378 bij een reële waarde van € 26.500. Desgevraagd kon de berijder zich bij de rechter overigens niet meer herinneren of hij winst had behaald met de doorverkoop van deze auto.
Bij de rechter stond ter discussie of deze eigen bijdrage wel een bijdrage voor privé-gebruik was. Alleen dán is de bijdrage namelijk aftrekbaar.
De stelling dat de bijdrage verklaard kon worden uit een relatief korte leaseperiode, kon de rechtbank niet volgen: “Een korte leaseperiode leidt weliswaar tot een minder lange termijn van afschrijven, maar eveneens tot een hogere restwaarde. Dat desondanks sprake zou zijn van (aanzienlijk) hogere leasetermijnen die vervolgens aan eiser is rekening zijn gebracht, is op geen enkele wijze nader (cijfermatig) onderbouwd”.
De rechter spreekt dan ook uit dat de bijdrage geen bijdrage voor privé-gebruik is, en daarom ook niet aftrekbaar is. Gezien de hoogte van de boekwinst en het feit dat de berijder gezien de exacte koppeling met de hoogte van zijn bijtellingsbedrag op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud van de constructie, wordt er een opzetboete van 50% opgelegd.
De tweede uitspraak betrof een vaker voorkomende situatie. De onderneming waar werknemer A werkte, had een autoregeling die er in voorzag dat per kwartaal een exploitatieoverzicht van de door de onderneming gekochte en vervolgens aan A ter beschikking gestelde auto werd bijgehouden. De eigen bijdrage voor privé-gebruik was het verschil tussen de totale autokosten en de kosten van de zakelijke kilometers.
Bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst zou een eventueel overschot uit de exploitatierekening als loon worden uitbetaald, maar zou een eventueel tekort door de werknemer moeten worden bijbetaald. Tevens zou de auto dan moeten worden overgenomen tegen de taxatiewaarde.
A ging uit dienst. De auto had een boekwaarde van € 4.658, terwijl de werkelijke waarde € 3.400 was. A nam de auto over voor deze € 3.400, maar moest ook het exploitatietekort van € 1.258 bijbetalen. Dit bedrag trok hij als bijdrage voor privé-gebruik af van de bijtelling.
De rechter kan zich hier in vinden: “Naar het oordeel van de rechtbank vindt de waardedaling van de auto zijn grond in het gebruik van de auto door eiser gedurende de periode dat de auto aan hem ter beschikking is gesteld. Met eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bedrag van € 1.258 kan worden aangemerkt als een extra afschrijving die tijdens de gebruiksperiode van de auto is opgekomen”. Hoewel de betaling van het bedrag actueel wordt door het einde van de dienstbetrekking, heeft de vergoeding wel betrekking op het gebruik van de auto, zodat het als bijdrage voor privé-gebruik afgetrokken kan worden. Dat er van deze afschrijving niets aan de zakelijke kilometers toegerekend hoeft te worden, ligt aan het feit dat de verplichte betaling aan het eind van de dienstbetrekking in deze autoregeling berekend wordt ongeacht de aard van het gebruik van de auto.
Bron: AMD automotive fiscalisten
Service links
Aanmelden nieuwsbrief Nieuwsarchief Volg ons op LinkedIn Volg ons via Twitter Contact met Auto&FiscusLinks
Nieuw beleidsbesluit met goedkeuringen BTW privégebruik auto Regeling collectief bezwaar BTW Milieu-investeringsaftrek/VAMIL Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto 2012 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 2012 BPM doorschuifregeling Vereenvoudigde rittenadministratie Rittenregistratie-app Bijtellingalert
Volg ons via
“
Er zijn momenteel onderhouds werkzaamheden. Twitter is momenteel niet beschikbaar.
”


http://twitter.com/autoenfiscus